Beroepsdeformatie? Het verschil tussen rollen in werk en privé

 

Leuk stukje in het FD van 13 februari. Prachtige quote: “Mijn vrouw zegt dat ik sinds ik in de advocatuur werk ook privé meer geneigd ben op conflicten aan te sturen; zelf herken ik dat niet.” Hoe herkenbaar is dit dan weer…? Lees hieronder het originele artikel uit het FD.

Als het werk onder de huid kruipt

door: Mariette Huisjes
13 februari 2010 | Het Financieele Dagblad

Op de werkvloer dragen we een ander 'jasje' dan thuis. Beroepsdeformatie ligt op de loer als we die werkjas privé niet meer kunnen uittrekken, zeker nu die grenzen tussen werk en privé vervagen.

Een Australische blogger die decennialang als computerprogrammeur heeft gewerkt, schetst op internet hoe zijn beroep hem heeft geconditioneerd en hoe dit zijn vrouw soms tot razernij drijft. Geconfronteerd met een tastbare uitdaging - bijvoorbeeld het in elkaar zetten van een keukenkastje - beschouwt hij zijn taak als volbracht wanneer hij heeft uitgevogeld hóe hij dit tot een goed einde kan brengen. Probleem opgelost, want het programma is klaar. Dat er intussen nog niets is gebeurd en het keukenkastje in losse onderdelen op de vloer ligt, acht hij zelf een verwaarloosbaar detail.

Wie komt het niet bekend voor, dat het werk dat je doet onwillekeurig onder je huid kruipt? Als we het al niet bij onszelf herkennen, dan toch in elk geval bij anderen. De manager die in elk gezelschap de leiding neemt, de docent die te lang aan het woord is, de therapeut die jouw dagelijkse besognes tot ernstige problemen maakt. Het hoeft niet ernstig te zijn, maar het is er vaak wel.

Privéleven als afvinkbare opdrachten
In de psychologie spreekt men van een rollenconflict: de rol die iemand op het werk heeft is een andere dan die in het gezin of in de vriendenkring. Elke rol stelt andere eisen en heeft z'n eigen normen. Op het werk wordt het misschien gewaardeerd als je zakelijk, doortastend en een tikje agressief bent. Thuis worden er invoelendheid en verdraagzaamheid van je verwacht. Op het werk vink je dagelijks taken op je klussenlijst af. Wie ook zijn privéleven als een lange lijst afvinkbare opdrachten ziet (bijpraten met echtgenoot, concert, golf, etentje met Pieter en Heleen) laat toch iets aan levenskwaliteit verloren gaan.

'De opleiding die hij kiest, het beroep dat hij uitoefent en de cultuur die daar heerst, vormen ieder mens', zegt Fred Zijlstra, hoogleraar arbeidspsychologie aan de Universiteit Maastricht. Hij onderzoekt de mens in relatie tot zijn werk. 'Werk is belangrijk voor onze geestelijke gezondheid: het vergroot ons zelfvertrouwen, geeft structuur aan de dag en zorgt ervoor dat we ergens bij horen. Wie uitdagend werk heeft dat hij als verrijkend ervaart en waarin hij steeds nieuwe dingen leert, blijft geestelijk scherp. Diegene zal zich ook privé actief opstellen en proberen zijn leven gevarieerd en avontuurlijk in te richten. Die gaat niet op vakantie naar een huisje in Appelscha, maar op trektocht door Mexico. Maar wie op het werk slechts een klein radertje is en elk initiatief in de kiem gesmoord ziet, kan als mens ook vervallen in lusteloosheid en apathie.'

Dat beroep een vormend effect heeft, zie je soms terug in de ontwikkeling van een vriendenkring, schetst Zijlstra. Mensen die tijdens hun studie een homogene en hechte club vormden, kunnen zich met de keuze van hun beroep toch in heel verschillende richtingen ontwikkelen. Natuurlijk spelen daarbij ook andere factoren een rol, maar het professionele perspectief is niet uit te vlakken. Een bedrijfsjurist kijkt immers anders tegen het leven aan dan iemand die voor de sociale advocatuur heeft gekozen.

Jasje aan, jasje uit
Zijlstra vergelijkt de verschillende rollen die mensen spelen op het werk en daarbuiten met jasjes die je aan en uit moet trekken. Het wordt lastiger om rolvast te blijven nu de grenzen tussen werk en privé steeds meer vervagen', zegt Zijlstra. 'Vóór de industriële revolutie liepen werk en privé ook door elkaar. Boeren, ambachtslieden en notabelen... ze werkten allemaal aan huis. Gaandeweg is dat uit elkaar getrokken. Het werk werd intensiever, maar er kwamen wel vaste werktijden, en wie niet op kantoor was, was onbereikbaar. Dat is niet meer zo; opnieuw gaan werk en privé door elkaar lopen. Een collega belt je op zondagmiddag om de vergadering van maandag voor te bereiden en de crèche belt je op dinsdagochtend om te melden dat je kind ziek is.'

Amerikaanse wetenschappers die de vervagende grenzen tussen werk en privé hebben onderzocht, betogen dat de voortdurende inbraken van werk in privé en andersom zorgen voor verwarring. Het té veel moeten jongleren met rollen gaat ten koste van arbeidsvreugde en effectiviteit.

Waar het fout gaat
Jaap van den Broek is als klinisch psycholoog en coach gespecialiseerd in het begeleiden van mensen met problemen in en rond hun werk. Herkent hij beroepsdeformatie als één van die problemen? Dat is lastig te zeggen, volgens Van den Broek, omdat mensen die er last van hebben dat meestal zelf niet beseffen. Ook spelen aanleg en beroepseffecten vaak samen een rol. 'Natuurlijk kiezen mensen een beroep dat past bij hun persoonlijkheid. Wie niet assertief is, wordt geen advocaat, wie niet nauwgezet is geen accountant. Vervolgens versterkt de uitoefening van het beroep de eigenschappen die toch al aanwezig waren. De in aanleg nauwkeurige accountant raakt er door zijn werk steeds meer van overtuigd dat nauwkeurigheid van levensbelang is. Meestal levert dat geen problemen op, maar vooral bij neurotische persoonlijkheden kan het misgaan. Nauwkeurigheid kan verworden tot een dwangneurotisch perfectionisme. Een narcist zal proberen een positie te bereiken waarin hij wordt bewonderd en vervolgens eisen dat dit ook privé gebeurt.

Ambitieuze dertigers
Een beroepsdeformatie die Van den Broek in zijn praktijk met regelmaat tegenkomt, is een doorgeschoten regeldrift. 'Vooral bij ambitieuze dertigers. Ze zijn gedreven en actief op hun werk, stellen zich op als een baasje, want ze moeten zich waarmaken. Soms komen ze in een kramp terecht; blijven ze thuis ook altijd maar druk en reageren ze overdreven heftig op hun omgeving. Wie ontspannen is, kan nuances zien en zich inleven in een ander. Wie onder druk staat, kan alleen maar primair reageren: vechten, vluchten of zich verstoppen. Als je dat blijft doen bij je geliefde, vrienden of familie, gaat het natuurlijk niet lang goed.'

Het lijkt alsof vrouwen meer dan mannen worden aangemoedigd hun aandacht te verdelen over verschillende terreinen van het leven. Herkent Van den Broek dit en zijn mannen daardoor vatbaarder voor monomane werkdrift en dus beroepsdeformatie? 'Ach, vrouwen kunnen ook heel monomaan zijn. In mijn beleving hangt die vatbaarheid niet zozeer samen met het geslacht als wel met persoonlijkheidstrekken zoals loyaliteit en plichtsgetrouwheid en misschien ook met levensfase en hormonen. Een puber heeft andere drijfveren dan een dertiger, en die zit weer anders in elkaar dan iemand van boven de vijftig. Bij de laatste groep is het fanatisme meestal wel wat gesleten; die vraagt zich eerder af waar het allemaal goed voor is geweest.'

Knop om

Om te voorkomen dat het werk te veel onder hun huid kruipt, raadt Van den Broek zijn cliënten aan om er ten minste eens in de zes tot acht weken een lang weekend tussenuit te gaan om echt afstand te nemen. 'Je moet je verhouden tot je werk, niet een onderdeel ervan worden.'

Dat je professie je vormt is evident en pakt vaak alleen maar positief uit. Je doet waar je goed in bent en wordt daar vrolijker van. Het gaat pas fout als de rollen onontwarbaar met elkaar verstrengeld raken. Enige afstand is nodig. Fysieke afstand is niet meer voldoende, daar zorgt de Blackberry wel voor. Dus zit er niets anders op dan zelf de dammen weer op te werpen en op gezette tijden alle apparaten uit te schakelen. Voor een gezond leven zonder beroepsdeformaties moet er af en toe, letterlijk en figuurlijk, een knop om.

Mischa Bonn (38) Hoogleraar experimentele natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam en groepsleider bij het onderzoeksinstituut Amolf, waar hij leiding geeft aan vijftien promovendi en postdocs.

'Een positieve "beroepsdeformatie" vind ik mijn onafhankelijke levenshouding. Als wetenschapper moet ik altijd goed nadenken en kritisch zijn, anders doe ik mijn werk niet goed. Privé doe ik dat ook, wat nogal eens betekent dat ik me vreselijk opwind over wat anderen als normaal beschouwen. Hoe de politiek functioneert bijvoorbeeld. Dat emoties daarin de boventoon voeren, vind ik absurd. Je zou willen dat onze volksvertegenwoordigers op een koele, calculerende manier besluiten nemen op rationele gronden. Ik zal dat soort misstanden aan de kaak blijven stellen, al maak je daar niet altijd vrienden mee.'

'Waar ik minder trots op ben, is dat ik weleens wegval in een gesprek over koetjes en kalfjes. Dan denk ik na. Er zijn altijd wel een paar onopgeloste wetenschappelijke problemen; die spelen onbewust door en vragen af en toe mijn aandacht. Vrienden storen zich daar soms aan.'

'Mijn vrouw vindt het vreselijk wanneer ik tijdens een ruzie dingen die zij zegt "irrelevant" noem. Rationele analyse is nu eenmaal waar ik goed en getraind in ben. Als ik in een conflict het gevoel heb dat ik de dingen niet beheers, val ik terug op die beproefde methode. Ik probeer hoofdzaken van bijzaken te scheiden, waarbij ik de emoties van mijn vrouw meestal tot de bijzaken reken. Dan flipt zij natuurlijk, en terecht. Dit is echt erge beroepsdeformatie. Gelukkig word ik wel teruggefloten; daar heb ik mijn vrouw op uitgezocht.'

Jan Maarten Wieringa (48) Partner bij Holtrop, bureau voor assessment en management search. Voerde in de afgelopen negentien jaar als consultant en psycholoog zo'n tienduizend beoordelingsgesprekken.

'Mijn werk is om het verbale en non-verbale gedrag van kandidaten te interpreteren en op grond hiervan een oordeel te vormen over hun geschiktheid voor een bepaalde functie. Dat gaat wel in je kop zitten. Kom ik op een feestje een artdirector tegen, dan ga ik hem een vraag stellen om te testen of hij wel creatief is. Staat er langs het hockeyveld van mijn zoon een andere vader uitzinnig te schreeuwen, dan gaan er onwillekeurig alarmbellen rinkelen en denk ik: zo broeder, kom jij daar op kantoor ook mee weg? Laatst bezocht ik met een bevriende kunstenaar een galerie. Hij bewonderde de fraaie kleuren; ik de voortreffelijke verkooptechnieken van de galeriehouder.'

'Toen ik net begon in dit vak had ik de meeste last van beroepsdeformatie. Als je de vaardigheden nog onder de knie moet krijgen pas je ze eindeloos toe, om te oefenen. Ik betrok alles op mezelf. Schreef ik een rapport over iemands arbeidsmentaliteit, dan maalde het door mijn hoofd: hoe zit het eigenlijk met mijn eigen arbeidsmentaliteit? Heel vermoeiend. Bij jonge dertigers zie ik die obsessie ook. Nu ik meer ervaren ben, is het voor mij gemakkelijker geworden om mijn psychologenbril op en af te zetten. Hoewel... laatst dacht ik een mooi vader-en-zoongesprek te voeren, maar kreeg ik te horen: papa, praat niet als een psycholoog!'

Eduard de Geer (44)is advocaat bij Corten De Geer en specialist in erfpachtzaken. Daarnaast is hij betrokken bij kunstprojecten in Amsterdam-Noord.

'De advocatuur is een van de weinige plekken waar je nog ongestraft een fel maar ridderlijk duel kunt voeren. Je wilt de advocaat van de wederpartij aftroeven en de werkelijkheid zo belichten dat de rechter overtuigd raakt van het gelijk van jouw cliënt. Dat wedstrijdelement is een van de dingen die ik leuk vind aan mijn vak. Mijn vrouw zegt dat ik sinds ik in de advocatuur werk ook privé meer geneigd ben op conflicten aan te sturen; zelf herken ik dat niet.'

'Ik herinner me wel een duidelijk beroepsdeformatie vanuit een eerdere functie bij een rechtsbijstandsverzekeraar. Toen had ik altijd zo'n 180 dossiers in de kast staan.

Ik voelde me geroepen om al die verhalen goed in m'n hoofd te hebben en droeg ze dus voortdurend bij me. Maar daarmee was mijn hoofd wel vol. Als vrienden me hún verhaal vertelden, kon dat er eigenlijk niet meer bij en liet ik het langs me heen gaan. Dat was niet zo vriendschappelijk.'

'Ik ben van nature eigenwijs. Voor een advocaat is dat een goede eigenschap. Ik moet het gelijk van mijn cliënt overeind houden en verdedigen zo lang als ik er zelf redelijkerwijs van overtuigd ben. Gek genoeg wordt mijn eigenwijsheid mij privé nog wel af en toe voor de voeten geworpen, terwijl ik in mijn beroepsuitoefening met het klimmen der jaren steeds minder rechtlijnig word. Vroeger keek ik alleen naar de juridische slaagkans van een zaak, nu zie ik ook de menselijke kant. Soms voorzie ik dat een procedure iemand meer geld en stress gaat kosten dan hij waard is. Dan zeg ik: wil je dit echt?'

 

 

 

Go back